Een praatje met ... |
Wij zijn bezig met het derde fotoboekje “Een eeuw veranderingen“. Het is het boekje over de veranderingen in Hoogblokland. We vorderen goed alleen voor de juiste gegevens van de oude foto’s moeten wij een beroep doen op oudere inwoners. Wij vonden iemand die daar bij uitstek geschikt voor bleek te zijn namelijk Teunis Wallaard. Toen ik met een oude foto in Hoogblokland op zoek was naar de juiste plaats trof ik Teunis samen met Klaas van Steenis en Cor de Hertog aan op een bankje en toen bleek dat hij heel veel wist van het oude Blokland en hij zei: “Je komt maar als je wat wilt weten”.
Teunis is 90 jaar oud en heeft zijn hele leven in Hoogblokland gewoond en gewerkt. Jarenlang woonden ze in de ”boomgaard”: ongeveer achter de woning Dorpsweg 26. Daar loopt een pad naar achter en daar staan twee woningen ver van de weg, maar nu wonen ze volgens Teunis “op stand” in een bejaardenwoning aan de Dorpsweg. Teunis beschikt over een enorm goed geheugen, hij noemt feilloos op wie in welk huis heeft gewoond . We bekijken een foto van de oude Openbare school. Teunis wijst op een aanbouw achter aan de school en zegt: ”Daar was het kolenhok en daarlangs ontsnapte ik vaak als ik school moest blijven“ (wat nogal eens gebeurde, begreep ik). Toen de meester die deur later op slot had gedaan is hij nog eens een keer via het raam naar buiten geklommen. Ik informeer hoe de melkhandel in de oorlog verliep. Teunis vertelt dat er alleen afgeroomde melk werd verkocht. De naam van dominee Ronge valt en Teunis merkt op dat hij vindt dat ze eens een straat naar die man moeten noemen. Hij was erg geliefd in Hoogblokland. Toen in Hoogblokland een Engelse piloot werd opgepakt door de Duitsers en de omstanders riepen: “Leve de Tommy’s!” werden een aantal inwoners opgepakt en mee-genomen naar Gorcum. Ook Teunis moest mee. De dominee die rumoer hoorde schoof het gordijn opzij om te zien wat er aan de hand was De Duitsers zagen dit en namen ook de dominee mee. “Ik versta geen Duits,” zegt Teunis, “maar wat ging die dominee tekeer tegen die Duitsers, het leek wel of hij vloekte.” “Maar we kwamen wel vrij,“ zegt hij. Dan begint Teunis aarzelend een verhaal waar ik zeer van onder de indruk raak. Het is het verhaal van een gewone burger die per ongeluk in een angstaanjagend avontuur terecht kwam. Na een week in Tivoli werden de mannen op een trein naar Duitsland gezet. Het was een zwaar gehavende trein die vol kogelgaten zat. Teunis had inmiddels Bert van Os uit Arkel ontmoet, die hij kende omdat het een klant van hem was. Er stond een Duitser met geweer op een trap en er werd gezegd dat iedereen die links of rechts uit de rij stapte zou worden doodgeschoten. Samen met Bert ging hij de trein in zo ver mogelijk naar achter. Ze hadden besloten zodra het mogelijk was uit de trein te springen. Het was februari 1945 en het was avond dus aarde donker. Bij Groenekan besloten ze te springen. Ze gingen op de treeplank staan bogen voorover en sprongen het donker in. Teunis kwam met zijn borst op de keien terecht, dat was pijnlijk maar hij raakte niet gewond. Bert kwam er minder goed af, hij had een flinke wond aan zijn hoofd. Het was erg donker dus moeilijk om je te oriënteren, maar op goed geluk zijn ze gaan lopen. Na enige tijd kwamen ze bij een inundatiegebied. Ze hebben een flink stuk door het water gewaad (het was februari) al tastend en plotseling voelden ze prikkeldraad. Ze zijn het hek gevolgd en zijn er uitgekomen. Ze hebben een arts gezocht die de hoofdwond van Bert heeft gehecht en hen nog wat informatie heeft verstrekt over hoe ze het best konden lopen. Uiteindelijk kwamen ze in Willige Langerak terecht waar ze bij een boer in het hooi hebben geslapen. Daar zijn ze in contact gebracht met iemand uit het verzet die hen heeft meegenomen en in de volgende nacht over de Lek naar Groot-Ammers heeft gebracht. Hier kende Teunis een grossier die betrouwbaar was en waar hij een transportfiets kon lenen. Bert werd voorop gezet en Teunis fietste naar Hoogblokland. Daar was het weer oppassen geblazen want er waren Duitsers in het dorp. Teunis durfde niet thuis te blijven en is nog enige tijd ondergedoken. Hij vertelt dit alles zonder opsmuk en zonder veel details, maar ik merk wel dat het hem nog steeds aangrijpt als hij er aan terugdenkt. Af en toe zwijgt hij even en staart voor zich uit en ik besef hoe ingrijpend zoiets is geweest in het leven van zomaar een inwoner uit Hoogblokland. Ook zijn vrouw beleeft het duidelijk weer opnieuw. Ik vermoed dat ze dit verhaal nog maar weinig keren hebben verteld. Na de oorlog had iedereen wel een verhaal dus men praatte daar niet zo veel over, er moest hard gewerkt worden om de economie weer op gang te krijgen.
Ik vermoed dat het bewust gebeurt, maar plotseling gaat hij over op een ander onderwerp. “Ik heb al jaren opgeschreven wie er boer zijn in Blokland en de Minkeloos. Dat waren er zo ver het mij heugt 94 en nu nog 12. Ik heb iedereen die koeien had meegeteld, dus ook als ze maar drie koeien hadden.” Teunis laat de lijsten zien en ik maak er vlug een foto van. Mijn moeder zei vroeger soms: “Hier heb je een schelling ga eens een vijfkop Giesser wildemannen (een perensoort) halen“. Ik zeg dat ik niet begrijp waar hij het nu over heeft. Hij vraagt of ik weet wat een vijfkop is, ik moet het antwoord schuldig blijven. Dan zal ik jou er eens één laten zien zegt hij en laat gelijk de vlizotrap zakken om naar de zolder te gaan. Hij komt terug met een maatvat waarop een koperen plaatje met de tekst ½ decaliter. Dat is nou een vijfkop zegt hij en laat zien wat hij nog meer heeft meegebracht, een bronzen bel uit de tijd dat hij de klanten liet horen dat hij in aantocht was. Hij demonstreert de bel zodat de bejaardenwoning bol staat van het geluid. “Een echte bronzen bel,” zegt hij trots, “die klinkt veel langer na dan een koperen” en hij geeft nog eens een flinke slinger aan de bel.
Even later zit hij wat te zoeken in zijn papieren en laat een vergeeld krantenknipsel zien. Ik lees het artikel waarin staat dat Wallaard een dochtertje van Huib Klop aan de Groeneweg in Hoornaar van de verdrinkingsdood heeft gered door zonder aarzelen gekleed de vliet in te springen. In het artikel staat tevens dat het al de derde keer is dat hij iemand uit het water heeft gered. Hij heeft namelijk ook Tonia (Tooi) van Geffen gered. Zij was achter haar huis te water geraakt en zou zeker zijn verdronken als Teunis haar niet op tijd had gezien. En dan was er nog Pauw Hartkoorn die langs de Hoge Giessen te water was geraakt en ook door Teunis op het droge werd geholpen. “Dat stukje heeft Kees Advocaat nog geschreven,” zegt Teunis, “die was correspondent voor de krant”.
Teunis Wallaard is een kleurrijk man die boeiend kan vertellen en in zijn verhalen een flinke dosis humor verwerkt. Wout Slob. |